D.O.P. publicaties
Intensieve veehouderij en gezondheid

 


Persbericht, 1 juli 2011

Onderzoeksrapport intensieve veehouderij en gezondheid.

Onlangs is het onderzoeksrapport `Relatie intensieve veehouderij en gezondheid omwonenden` uitgebracht. Het is een rapport van de Universiteit Utrecht (IRAS-instituut), het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) en het RIVM. In 2009 hebben het ministerie van VWS en het toenmalige ministerie van LNV gezamenlijk opdracht gegeven tot dit onderzoek. Het is goed om hierbij te vermelden dat de initiatieven om te komen tot een gezondheidsonderzoek vanuit Boekel genomen zijn.
Zoals u weet heeft de D.O.P., ten tijde van de discussie over het opstellen van een structuurvisie voor de landbouwontwikkelingsgebieden(LOG`s), in Venhorst en aan de Waterdelweg, er op aangedrongen een onderzoek te starten naar de gevolgen van de intensieve veehouderij voor de volksgezondheid van omwonenden.
Toenmalig wethouder Van Boxtel-Arts (D.O.P.) heeft met Jans van GGD Brabant, de Boekelse huisartsen en met de gemeente Gemert er bij de provincie Noord-Brabant op aangedrongen dat een dergelijk onderzoek zou worden uitgevoerd. Dit is door de provincie bij de rijksoverheid neergelegd. Het resultaat van dit onderzoek is er nu.

De onderzoekers constateren dat omwonenden potentieel zijn blootgesteld aan endotoxinen (ziekteverwekkers) en micro-organismen. De niveaus zijn in de regel laag, maar er kunnen lokale situaties zijn dat het niveau voldoende hoog is om bij een deel van de omwonenden tot effecten op de luchtwegen te leiden. Bij omwonenden wordt minder astma geconstateerd, maar astmapatiënten hebben wel meer last van luchtweginfecties als ze in de buurt van veehouderijbedrijven wonen.

Astma komt wel vaker voor in de buurt van nertsenfokkerijen, evenals eczeem bij kinderen. Ook constateren de onderzoekers dat longontsteking vaker in de omgeving van geitenbedrijven en pluimveebedrijven voorkomt.
Er zitten dus wel degelijk gezondheidsrisico`s aan de intensieve veehouderij, maar de megastallen zijn niet gevaarlijker voor de gezondheid dan gewone stallen. Dat is de belangrijkste voorlopige conclusie uit dit onderzoek. Er is meer onderzoek nodig omdat er bij het onderzoek slechts een beperkt aantal meetpunten zijn opgesteld. En omdat nergens in Nederland zoveel dieren en mensen in een zelfde gebied wonen als in Brabant, zijn de gevolgen van de stalemissies hier des te groter.
Aanbevelingen in het rapport.
De minister van VWS wil met de staatssecretaris van Landbouw komen tot een beoordelingskader. Op dit moment bestaan er geen richtlijnen om de gezondheidsrisico`s van blootstelling aan verschillende micro-organismen, afkomstig uit de veehouderij, te beoordelen. De minister gaat de Gezondheidsraad om een advies vragen.
De minister van VWS verwacht na het advies van de Gezondheidsraad te komen tot modelvoorschriften ter beheersing van de risico`s van veehouderijen voor de gezondheid van omwonenden. Over zes maanden moet het advies zijn uitgebracht. Sommige maatregelen kunnen dan in de omgevingsvergunning worden opgenomen.

Het onderzoek werd begeleid door een klankbordgroep met enerzijds de taak het onderzoek te becommentariëren en te adviseren over de keuze van de onderzoekslocaties. En anderzijds om de resultaten van het onderzoek met de onderzoekers te bespreken.
De klankbordgroep is van mening dat dit eerste verkennende onderzoek een belangrijke bijdrage kan leveren aan de discussie, die nu gaande is over de intensieve veehouderij. De klankbordgroep acht het van het grootste belang dat met de uitkomsten en aanbevelingen van dit onderzoek rekening wordt gehouden bij de verdere ontwikkeling van het agrarisch gebied en de ontwikkelingen in de veehouderijsector.

De minister schrijft in haar begeleidende brief dat om de uitstoot van fijnstof te beperken, het `Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij` uitgebreid wordt met emissie-eisen voor fijnstof uit stallen. Insteek van deze wijziging is dat veehouderijen met een substantiële emissie van fijnstof verplicht worden om door toepassing van de beste beschikbare technieken te komen tot emissiereductie. Reductie van de fijnstofemissie uit stallen betekent een beperking van de potentiële verspreiding van ziekteverwekkers.

Wat kunt u van ons, de D.O.P., verwachten?
De lokale overheid zit klem tussen de bestaande landelijke wet- en regelgeving en de veehouderijsector die beschikt over een breed scala aan rechten op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening. Daar waar we plaatselijk onze invloed kunnen uitoefenen zullen we dat zeker doen. Samen met de sector zullen we maatregelen moeten treffen ter voorkoming van gezondheidsproblemen, die samenhangen met de intensieve veehouderij.
De D.O.P.-fractie
Antoinette Heunks
Ton van de Ven
Inge van Boxmeer

D.O.P. publicaties
Intensieve veehouderij (4)


Volksgezondheidsaspecten van veehouderij-megabedrijven in Nederland.
18 februari 2009

Inleiding.
Als onderdeel van de advisering van de vaste Kamercommissie van het ministerie van LNV, inzake de consequenties van schaalvergroting in de intensieve veehouderij, is het Centrum Infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM/CIb) gevraagd om een analyse te geven van de volksgezondheids­effecten van megastallen voor varkens en pluimvee.
Het RIVM-rapport.
Ten tijde van het verschijnen (voorjaar 2008) van het rapport lagen er bij provincies en gemeenten circa 60 aanvragen voor de bouw van een zoge­naamde megastal. Kijkend naar reeds bestaande veehouderijbedrijven blijkt dat megabedrijven niet nieuw zijn maar reeds een klein percentage van het aantal bestaande bedrijven in Nederland beslaat.

Effecten van intensieve veehouderij-(mega)bedrijven op de volksgezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen. Bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via mest en via voedings­middelen van dierlijke oorsprong.
Verschillende (risico)groepen kunnen worden gedefinieerd:

  1. de veehouders en familie, personeel (inclusief slachthuispersoneel) en bezoekers,
  2. omwonenden, en
  3. consumenten van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong (voedselveiligheid).

Wat zijn de mogelijke effecten van schaalvergroting van kleine tot gewoon grote bedrijven naar megabedrijven op het voorkomen en de verspreiding van Zoönose (infectieziekten veroorzaakt door micro-organismen, die kunnen overgaan van dieren op mensen) en resistente micro-organismen ?
Effecten op de volksgezondheid kunnen van velerlei aard zijn. In de rapportage van het RIVM zijn influenza (virus), salmonella (bacterie), toxoplasma (parasiet) en antibioticumresistentie (MRSA) als voorbeelden gebruikt ter illustratie van de mogelijke bedreigingen en kansen van schaalvergroting binnen de intensieve veehouderij.
Een mogelijk verband tussen megabedrijven en het voorkomen en de verspreiding van Zoönose en antibioticum-resistentie is op basis van beschikbare literatuur niet eenvoudig vast te stellen en verschilt per Zoönose. Er zijn diverse bedreigingen maar ook enkele kansen bij verdere schaalvergroting. Bij groei van bedrijven zonder aanpassing van bedrijfsvoering en stalconcept zullen de bedreigingen de kansen van megabedrijven overstijgen. Dit maakt het noodzakelijk extra voorwaarden te stellen aan megabedrijven.
Op basis van beschikbare gegevens lijkt het in ieder geval belangrijk om :
1. het antibioticumgebruik op bedrijven, megabedrijven in het bijzonder, zoveel mogelijk te beperken;
2. megabedrijven op een bepaalde minimum afstand van elkaar te positioneren;
3. te voorkomen dat varkens en kippen op een megabedrijf worden gecombineerd;
4. in het stalontwerp de risicos voor introductie en verspreiding van micro-organismen mee te nemen.
Naast Zoönose spelen stoffen als ammoniak, fijnstof en biologische stoffen in de intensieve veehouderij een belangrijke rol bij het optreden van gezondheidseffecten in de omgeving. Daarnaast speelt geur een belangrijke rol in de hinderbeleving van de omwonenden.
Voor het beoordelen van gezondheidseffecten van fijnstof zijn zowel de hoeveelheid van fijnstof als ook de samenstelling van belang. De bijdrage aan de luchtkwaliteit is verschillend bij het aantal dieren, diersoort en staltype. Epidemiologisch onderzoek heeft aangetoond, dat blootstelling aan de hoeveelheid fijnstof in de buitenlucht samenhangt met een breed scala aan gezondheidseffecten zoals luchtwegklachten en vervroegde sterfte. Het gaat daarbij om verergering van bestaande aandoeningen.
Met de huidige ontwikkelingen in de intensieve veehouderij komen er wel minder bedrijven, maar de bedrijven zelf worden groter. Er vindt een concentratie plaats van deze bedrijven. Een groter aantal varkens en pluimvee leidt tot een hogere uitstoot van ammoniak, fijnstof en geur. Instanties in Nederland zoals het Planbureau voor de leefomgeving spreken de verwachting uit dat de komst van megastallen de uitstoot van ammoniak zal verminderen door de nieuwste technieken van luchtwassers. Echter dit geldt niet voor fijnstof en stank, omdat de wetgeving voor deze emissies minder ver is geregeld. Voldoen aan milieuwetgeving betekent niet automatisch dat het gezondheidsaspect ook voldoende aandacht heeft en dat risico’s worden voorkomen.
Tot zover het rapport.
Betekenis voor Boekel.
Het samenbrengen van intensieve veehouderijbedrijven in de landbouwontwikkelingsgebieden vraagt om nader onderzoek naar gezondheidseffecten op mensen.
D.O.P. standpunt.
Wij zijn van mening, zoals we dat tijdens de algemene beschouwingen van november 2008 in de gemeenteraad hebben verwoord, dat geen onomkeerbare beslissingen t.a.v. inplaatsing in de landbouwontwikkelingsgebieden van nieuwe agrarische bedrijven mag plaatsvinden zolang niet vaststaat, dat zulks uit een oogpunt van volksgezondheid en goed financieel beheer verantwoord is.
Meer informatie.
Zie: http://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/215011002.pdf , titel: Volksgezondheids­aspecten van veehouderijen in Nederland.
D.O.P. fractie
Antoinette Heunks
Erik van Mierlo
Inge van Boxmeer
Ton van de Ven

D.O.P. publicaties
Intensieve veehouderij (3)


Het megabedrijf gewogen
3 februari 2009

Intensieve veehouderij in een verwevingsgebied in Boekel.
Inleiding.
De geplande bouw van megastallen voor intensieve veehouderij leidt tot onrust. Maatschappelijke organisaties en omwonenden maken zich zorgen om verstoring van landschap, gezondheidsschade en dierenwelzijn. De vaste Tweede Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft in 2007 daarop het Milieu- en Natuurplanbureau(MNP), de Raad voor Dierenaangelegenheden(RDA), de Raad voor het Landelijk Gebied(RLG) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu(RIVM) om advies gevraagd over diverse aspecten van megastallen. Begin 2008 zijn de betreffende rapporten verschenen.
Inmiddels hebben we het rapport van het Milieu- en Natuurplanbureau en het RDA-rapport behandeld, nu gaan we in op het RLG-rapport, binnenkort volgt het laatste rapport.
Het RLG-rapport.
Het advies van de Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) beschrijft de drijvende krachten achter de schaalvergroting in de intensieve veehouderij en gaat in op de positie van de intensieve veehouderij in de samenleving. Vervolgens wordt een indicatie gegeven van de omvang en de concurrentiekracht van het megabedrijf in de varkens- en pluimveehouderij in Nederland en gaat de RLG nader in op aspecten van logistiek en transport, milieu, diergezondheid en dierwelzijn en omgeving van landschap. Tot slot besteedt de RLG aandacht aan de emoties in de samenleving die uit deze aspecten voortvloeien en de invalshoek van technologische vernieuwing.
Advies RLG.
1. Ruimte voor differentiatie.
Om de concurrentiepositie in Nederland te behouden spelen agrarische bedrijven in op schaalvergroting. Nederlandse megabedrijven zijn klein vergeleken met megabedrijven elders in Europa, de VS en Australië.
De RLG vindt schaalvergroting begrijpelijk en is van mening dat het landelijk gebied ruimte moet bieden aan de megabedrijven enerzijds en de kleine streekgebonden bedrijven anderzijds. Een economisch sterke en gezonde sector moet echter gebaseerd zijn op een breed draagvlak in de samenleving.
2. Kansen voor een duurzaamheidsprong.
De schaalvergroting en hiermee de opkomst van het megabedrijf biedt voor zowel de korte als de langere termijn kansen voor het maken van een sprong in duurzaamheid.
Op korte termijn vergemakkelijkt het schaalvoordeel investeringen in milieu, dierwelzijn en landschappelijke inpassing.
3. Ruimte onder voorwaarden.
De RLG is van mening dat het platte land ruimte biedt voor vestiging van megabedrijven voor varkens en pluimvee, echter wel onder de voorwaarde dat op deze bedrijven de duurzaamheidvoorzieningen van toepassing zijn.
Naar verwachting zal vestiging van megabedrijven zich vooral voordoen in reconstructiegebieden. De RLG acht vestiging alleen mogelijk in goed ontsloten gebieden en als het bedrijf goed wordt ingepast in het landschap.
4. Ruimte voor boer en burger.
In de reconstructiegebieden bevinden zich een aantal landbouwontwikkelingsgebieden (LOG) die niet voldoen aan de eisen die megabedrijven ten aanzien van ontsluiting stellen. De RLG acht het raadzaam dat provincies en gemeentes deze LOG-gebieden reserveren voor het bieden van ontwikkelingsruimte voor gezins+ bedrijven. Dit zijn bedrijven met een groeiwens, echter niet tot de omvang van een megabedrijf.
5. Blijvende aandacht voor emoties in de samenleving.
De RLG kan zich de weerstanden in de samenleving voorstellen en is van mening dat de sector rekening moet houden met ecologische, economische en sociaal culturele aspecten en ruimschoots moet bijdragen aan maatschappelijke doelen.
6. Belangrijke rol voor provincies en gemeenten.
Gezien de knelpunten die vestiging en uitbreiding van megabedrijven in het landelijk gebied met zich mee kunnen brengen, adviseert de RLG provincies en gemeenten zich te beraden over de wijze waarop zij in de toekomst zorg kunnen dragen voor de ruimtelijke en landschappelijke inpassing van megabedrijven en voor een verantwoord handhavingsbeleid.
Tot zover het rapport.
Betekenis voor Boekel.
Een goed beeldkwaliteitplan en goede inpassing in het landschap liggen ten grondslag aan een besluit tot vestiging van een nieuw megabedrijf en daarbij hoort een goede infrastructurele ontsluiting.
D.O.P. standpunt.
1. Toename van stank, ammoniak en fijnstofbelasting is niet meer van deze tijd. De best beschikbare technieken moeten worden ingezet om de overlast hiervan te voorkomen.
2. Beeldkwaliteit en goede inpassing van megabedrijven in het gebied zijn een vereiste.
3. Intensieve veehouderijen (megabedrijven) horen niet thuis in verwevingsgebieden, omdat deze een te grote belasting vormen voor hun omgeving en niet goed in te passen zijn in het landschap.
Meer informatie.

Zie: http://www.rlg.nl/adviezen/083/083download.html , titel: Het megabedrijf gewogen. Advies over megabedrijven in de intensieve veehouderij.
D.O.P. fractie
Antoinette Heunks
Erik van Mierlo
Inge van Boxmeer
Ton van de Ven

Intensieve veehouderij (2)


Dierenwelzijn en diergezondheid op megabedrijven in Nederland

Inleiding.
De geplande bouw van megastallen voor intensieve veehouderij leidt tot onrust. Maatschappelijke organisaties en omwonenden maken zich zorgen om verstoring van landschap, gezondheidsschade en dierenwelzijn. De vaste Tweede Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft in 2007 daarop het Milieu- en Natuurplanbureau(MNP), de Raad voor Dierenaangelegenheden(RDA), de Raad voor het Landelijk Gebied(RLG) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu(RIVM) om advies gevraagd over diverse aspecten van megastallen. Begin 2008 zijn de betreffende rapporten verschenen.
Twee weken geleden hebben we het rapport van het Milieu- en Natuurplanbureau behandeld, nu gaan we in op het RDA-rapport, binnenkort volgen de beide andere rapporten.
Het RDA-rapport.
Het onderzoek is door de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) opgevat als het antwoord op de vraag:
Wat zijn de verschillen ten aanzien van het dierenwelzijn (inclusief de diergezondheid) tussen enerzijds de bestaande zgn. gezins- of familiebedrijven en anderzijds de in de toekomst voorziene megabedrijven?
In het onderzoek is alleen de situatie voor varkens en kippen bekeken.
Onder de term megastal wordt in dit onderzoek verstaan: eenn of meerdere, grote stallen op een locatie met 2000 zeugen of 12.500 mestvarkens of een zogenaamd gesloten bedrijf met 900 zeugen, 2600 biggen en 6300 vleesvarkens of een bedrijf met 160.000 legkippen.
Schaalvergroting in de veehouderij is een proces dat in Nederland al decennia aan de gang is. Een van die aspecten die daarbij een rol spelen is het dierenwelzijn en, als wezenlijk onderdeel daarvan, de diergezondheid.
Overwegingen.
1. Megabedrijven worden gesticht om economische redenen. Daardoor ontstaat economische investeringsruimte voor verdere verbetering van de diergezondheid en het dierenwelzijn.
2. De RDA stelt dat megabedrijven voorop moeten willen lopen op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn door gebruik te maken van de meest recente inzichten. Voorbeelden: Comfort Class bij varkens met 1,5 Ã 2 m2 vloeroppervlak per varken (zie foto) en luchtontsmetting d.m.v. moderne luchtwassers.
3. Het onder 2 gestelde is des te belangrijker vanwege de noodzakelijke maatschappelijke acceptatie van het houden van dieren op megaschaal.
4. Op megabedrijven is management en aansturing van personeel met betrekking tot dierverzorging nog belangrijker dan op familiebedrijven.
5. Megabedrijven moeten het voortouw nemen in de verdere ontwikkeling naar gesloten bedrijfsvoering, om verdere verbetering van het dierenwelzijn en de diergezondheid te bewerkstelligen.
6. Megabedrijven zijn vanwege hun omvang en hun economische belangen extra kwetsbaar voor gevolgen van onvoldoende dierenwelzijn en onvoldoende diergezondheid.
De Raad voor Dierenaangelegenheden kiest er voor dierenwelzijn te definiëren, zoals vastgesteld in het EU-Welfare Quality-project: zorgen voor goede voeding, goede huisvesting, goede gezondheid en soortspecifiek gedrag toestaan.
Ethische aspecten spelen ook een belangrijke rol: Een veelgehoord bezwaar is dat het dier in de huidige ontwikkeling steeds meer een ding wordt. Om dit bezwaar te ondervangen is openheid en transparantie geboden.
Samenvatting.
1. Dierenwelzijn inclusief diergezondheid zal in megabedrijven in beginsel niet beter of slechter zijn dan in de huidige zgn. familiebedrijven.
2. Megabedrijven bij elkaar plaatsen geeft grotere diergezondheidsrisico’s dan wanneer grote onderlinge afstand aangehouden wordt.
3. Met betrekking tot de aangifteplichtige dierziekten is er in geval van familiebedrijven sprake van een relatief grote kans op een relatief kleine ramp en op megabedrijven sprake van een kleine kans op een absoluut heel grote ramp.
4.In landbouwontwikkelingsgebieden (LOGs), waar veel grote bedrijven dicht bij elkaar liggen, is er daarom een relatief grote kans op een grote ramp met betrekking tot diergezondheid.
Tot zover het rapport.
Betekenis voor Boekel.
Diergezondheid: In de LOGs waar veel grote bedrijven dicht bij elkaar liggen, is er een relatief grote kans op een grote ramp met betrekking tot diergezondheid.

D.O.P. standpunt.
1. De gezondheid en het welzijn van dieren zijn belangrijke kritische succesfactoren voor de (intensieve) veehouderij. Ze bepalen het aanzien en de acceptatie in de samenleving en ook de inkomens in en de concurrentiekracht van de veehouderij.
2. Het welzijn en de gezondheid van dieren moeten door stimuleringsmaatregelen van de landelijke overheid , in combinatie met wet- en regelgeving, worden bevorderd.
3. De bedrijven zo ver mogelijk uit elkaar plaatsen.
Meer informatie.
Zie: www.rda.nl, onder de knop publicaties 2008/03, titel: Dierenwelzijn en diergezondheid op megabedrijven in Nederland.


D.O.P. fractie
Antoinette Heunks
Erik van Mierlo
Inge van Boxmeer Ton van de Ven


D.O.P. publicaties
Intensieve veehouderij (1)

7 januari 2009

Milieukundige en landschappelijke aspecten van megabedrijven Inleiding.
De geplande bouw van megastallen voor intensieve veehouderij leidt tot onrust. Maatschappelijke organisaties en omwonenden maken zich zorgen om verstoring van landschap, gezondheidsschade en dierenwelzijn. De vaste Tweede Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft in 2007 daarop het Milieu- en Natuurplanbureau(MNP), de Raad voor Dierenaangelegenheden(RDA), de Raad voor het Landelijk Gebied(RLG) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu(RIVM) om advies gevraagd over diverse aspecten van megastallen. Begin 2008 zijn de betreffende rapporten verschenen.
Allereerst behandelen we het MNP-rapport, later volgen de andere rapporten.

Het MNP-rapport.

Het onderzoek en de analyse van het MNP was voornamelijk gericht op milieukundige en landschappelijke aspecten van megabedrijven. Onderzoeksvragen waren:
1. Wat is de huidige positie van megabedrijven in de intensieve veehouderij?
2. Welke rol speelt milieu- en ruimtelijk beleid bij het ontstaan van megabedrijven?
3. Welke effecten hebben megabedrijven voor het milieu en het landschap in Nederland?
Het onderzoek van het MNP (2008) heeft geleid tot de volgende conclusies:
1. Op lokale schaal kan uitbreiding naar of vestiging van een megabedrijf in de intensieve veehouderij meer hinder door geur en fijn stof opleveren, tot een paar honderd meter afstand van het bedrijf. De ammoniak­neerslag op nabijgelegen natuur zal licht stijgen.
2. Op regionale en nationale schaal gaat schaalvergroting samen met verplaatsing van productie, waarbij de milieukwaliteit in de meeste gevallen zal verbeteren. Er is sprake van verplaatsing en niet van uitbreiding, omdat de veestapel is gelimiteerd door het mestbeleid: een veehouder mag pas uitbreiden als hij varkens-/pluimveerechten van een stoppende veehouder koopt. Verplaatsing betekent dan weg van natuur en woonkernen, zodat op die plekken de milieudruk vermindert.
3. Veehouders die een megabedrijf willen oprichten, zullen de best beschikbare technieken moeten toepassen. Dit komt door de milieueisen uit de EU-richtlijn van het Intergovernmental Panel on Climate Change(IPCC) en vanwege milieunormen voor ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden, de zgn. Natura 2000-gebieden en normen voor fijn stof en geurbelasting. Door gecombineerde luchtwassers dalen de emissies van ammoniak met circa 2%, geur en fijn stof met circa 4% bovenop de raming van de totale emissies (alle bronnen) in Nederland in 2020.
4. Megabedrijven hebben een negatieve invloed op landschapsbeleving zoals bedrijventerreinen. De grootte van het effect hangt af van de huidige waardering van burgers van het desbetreffende landschap en de zicht­baarheid van stallen. Voor alle landschappen geldt dat een goede landschappelijke inpassing van megabedrijven essentieel is. De gemeenten kunnen hierin sturen door het maken van een beeldkwaliteitplan.
5. Op regionaal niveau kan het landschap erop vooruitgaan, mits oude stallen op herkomstlocaties worden gesloopt.
6. Voorwaarde voor positieve milieu-/landschapseffecten op regionaal/nationaal niveau is dat het aantal dieren wordt gereguleerd.
7. Megabedrijven kunnen waarschijnlijk makkelijker milieu-investeringen doen dan kleinere bedrijven. Omgekeerd betekent dit niet dat voor gewone grote bedrijven investeringen in luchtwassers, biogaswinning en gezamenlijke mestverwerking onhaalbaar zouden zijn.
8. Megabedrijven worden qua duurzaamheid interessanter als er tegelijk sprake is van systeeminno­vatie, waarbij integraal wordt gekeken naar economie, milieu, landschap, dieren­welzijn en volksgezondheid. Zo kan de megastal nieuwe mogelijkheden bieden voor stalontwerp en innovatieve luchtwassers.
Betekenis voor Boekel.
Wat kunnen de resultaten van dit onderzoek nu voor Boekel betekenen? Om landschap en milieu te versterken zou het beleid zich erop moeten richten:
- Grote bedrijven zover mogelijk van natuur- en woonkernen te vestigen;
- Alle bedrijven de beste beschikbare technieken laten toepassen bij de ontsmetting van lucht die de stallen uitkomt;
- Goede beeldkwaliteitplannen te ontwikkelen om landschappelijk verantwoorde inpassing te realiseren;
- Herstel en uitbreiding van kenmerkende landschapselementen zoals houtwallen en laanstructuren te stimuleren;
- Oude niet meer voor veehouderij gebruikte stallen te slopen;
- Dierenaantallen te reguleren;
- Samenwerking tussen bedrijven te stimuleren.
D.O.P. standpunt.
Op basis van dit rapport en gelet op de concentratie van (geplande) megabedrijven in en rondom de gemeente Boekel zou het goed zijn de cumulatieve effecten hiervan te onderzoeken en bij de besluitvorming mee te wegen. Zie verder hierboven. Goede beeldkwaliteit en inpassing in het landschap is vereist.
Meer informatie.
Zie: www.mnp.nl, publicaties 2008, titel: Milieukundige en landschappelijke aspecten van megabedrijven in de intensieve veehouderij.

D.O.P. fractie